084. Bijbelstudie over

DE DAG DES OORDEELS - YOM HADIN

]ydh ,vy

 
Deel 3: Het oordeel over de doden

 

 

De Dag des Oordeels is eigenlijk een driefasenplan: de voorselectie, het oordeel over de levenden en het oordeel over de doden. In deel 1 van deze bijbelstudie hebben wij de voorselectie behandeld. De ware Gemeente van Yeshua, die geënt is op de Edele Olijf Israël en G’ds geboden onderhoudt, komt namelijk helemáál niet in het oordeel. Deel 2, het oordeel over de levenden, ging over de volkeren, die bij de wederkomst van Yeshua na de bevrijding van Israël voor Zijn rechterstoel zullen worden geleidt om geoordeeld te worden op grond van hun houding, die zij tegenover G’ds volk hebben aangenomen gedurende de grote verdrukking onder het schrikbewind van de antichrist. De heiligen, die bij het blazen van de laatste Shofar hun sterfelijk lichaam inruilen tegen een verheerlijkt lichaam en opgenomen worden in de wolken des hemels, hun Koning tegemoet om Hem als legermacht te omringen bij Zijn komst, zullen actief worden betrokken bij het oordeel over de volken. Zij vormen als het ware een jury net zoals wij die van de Amerikaanse rechtbank kennen, en de Rechter zal Zijn oordeel baseren op het besluit dat de jury zal nemen ten aanzien van de beklaagden. Het is dus niet zo, dat de Gemeente slechts haar goedkeuring zal uitspreken voor het vonnis, dat Yeshua zal vellen over de g’ddeloze volken en de gevallen engelen, maar de Bijbel geeft juist duidelijk aan, dat de heiligen zèlf de wereld en de kwade engelen zullen oordelen: “En ik zag tronen, en zij zetten zich daarop, en het oordeel werd hun gegeven” (Opb. 20:4) - “Of weet gij niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen?” (1 Kor. 6:2) - “Weet gij niet, dat wij over engelen oordelen zullen?” (1 Kor. 6:2). Deel 2 was dus het oordeel over de levenden. In dit derde en laatste deel van deze studie komt het oordeel over de doden aan de orde, het jongste gericht ofwel het laatste oordeel! Alle doden, die geen deel hadden aan de eerste opstanding (Opb. 20:4-6), de opstanding ten leven, welke plaats zal vinden bij de wederkomst van Yeshua, zullen ná het duizendjarig vrederijk uit de dood worden opgewekt om voor de witte troon te verschijnen. Dit is de tweede opstanding, de opstanding ten oordeel, waar de profeet Daniël het over had: “Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen” (laynd Dani’el [Daniël] 12:2). Dit wordt trouwens door Yeshua Zelf herhaald: “Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar Zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel” (]nxvy Yochanan [Johannes] 5:28-29). Oppervlakkig beschouwd lijkt het alsof er op één en dezelfde dag een algemene opstanding zou plaatsvinden evenals het lijkt alsof de Dag des Oordeels inderdaad ook maar letterlijk één dag zou omvatten! Uit het boek ]vyzx Chizayon [Openbaring] weten wij echter, dat dit niet het geval is, maar dat er een periode van duizend jaren tussen de eerste en de tweede opstanding ligt en dat het oordeel over de levenden, zoals beschreven in Mt. 25:31-46 vóór het Messiaanse vrederijk plaats zal vinden, en het oordeel over de doden pas ná deze duizend jaren. Maar hoe kan het toch, dat er desondanks steeds gesproken wordt over de ‘Jongste Dag’, de ‘Dag des Heren’ en de ‘Dag des Oordeels’, terwijl er tussen de eerste en de tweede opstanding en tussen het oordeel over de levenden en het oordeel over de doden duizend jaren liggen? Het antwoord vinden wij in 2 Petrus 3:8, waarin de apostel schrijft: “Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag.” – De geduchte Dag des Heren, die ook wel de Dag des Oordeels wordt genoemd, omvat dus geen etmaal van 24 uur, maar een tijdperk van duizend jaar! Het gaat hierbij dus om een voorspelling in twee delen, gescheiden door deze lange periode van ware vrede. Om de gebeurtenissen aan het begin en aan het eind van het duizendjarig vrederijk beter te begrijpen, zullen wij het hoofdstuk 20 uit het boek ]vyzx Chizayon [Openbaring] in zijn geheel moeten lezen, dat begint na de verpletterende nederlaag van de legers die tegen Israël zijn opgetrokken en nadat de antichrist samen met de valse profeet in de poel des vuurs wordt geworpen. Het satanische rijk wordt vernietigd, de satan wordt vastgeketend in de gevangenis en de gelovigen uit de eerste opstanding zullen samen met hun Koning Yeshua regeren in Zijn Koninkrijk hier op deze aarde, duizend jaren lang:

 

Het duizendjarig rijk

 

“En ik zag een engel nederdalen uit de hemel met de sleutel des afgronds en een grote keten in zijn hand; en hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en hij bond hem duizend jaren, en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden, voordat de duizend jaren voleindigd waren; daarna moest hij voor een korte tijd worden losgelaten. En ik zag tronen, en zij zetten zich daarop, en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen van hen, die onthoofd waren om het getuigenis van Yeshua en om het woord van G’d, en die noch het beest noch zijn beeld hadden aangebeden en die het merkteken niet op hun voorhoofd en op hun hand ontvangen hadden; en zij werden weder levend en heersten als koningen met de Mashiach, duizend jaren lang. De overige doden werden niet weder levend, voordat de duizend jaren voleindigd waren. Dit is de eerste opstanding. Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding: over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van G’d en van de Mashiach zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen, die duizend jaren” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 20:1-6). - Dit tafereel, dat aan Yochanan [Johannes] op het eiland Patmos werd geopenbaard, heeft reeds vele eeuwen daarvoor ook de profeet Daniël gezien in een nachtelijk visioen: Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een Mensenzoon; Hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde Hem voor deze; en Hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en Zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is. - Daarna zullen de heiligen des Allerhoogsten het koningschap ontvangen, en zij zullen het koningschap bezitten tot in eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden. - En het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten: zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen” (laynd Dani’el [Daniël] 7:13-14, 18 en 27). Is het niet een heerlijk vooruitzicht, dat eens de heiligen samen met Yeshua als koningen zullen regeren? Ook elders in het boek Openbaring wordt deze belofte genoemd: “Gij hebt hen voor G’d gekocht met Uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie; en Gij hebt hen voor onze G’d gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 5:9-10), en: Adonai Elohim [de Here G’d] zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheden” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 22:5). Maar heeft u zich wel eens afgevraagd over wie de heiligen als koningen zullen heersen? G’ddelozen zullen het koninkrijk immers niet eens binnenkomen, maar als in G’ds Koninkrijk iedereen gelijk zou zijn, dus als allen koningen zouden zijn, over wie zouden deze gelovigen dan regeren? Als er koningen zijn, dan moeten er toch ook volken zijn, want anders kan er geen sprake zijn van regeren, of niet soms? Wel, die volken zijn er inderdaad, namelijk de schapen uit Mt. 25, die bij het oordeel van de Zoon des mensen het eeuwig leven hebben ontvangen. Deze volken maken weliswaar geen deel uit van de Gemeente, maar zij werden op grond van hun houding gedurende de grote verdrukking waardig geacht om het Messiaanse Vrederijk binnen te gaan. Over hen zullen de heiligen dus als koningen regeren en aan de heerschappij van Yeshua en de Zijnen zal ook ná deze duizend jaren geen einde komen zoals de tekst uit Openbaring 20:6 suggereert, maar zij zal worden voortgezet in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde, want Daniël heeft het hier over een eeuwig koningschap! De nauwkeurige lezing van Openbaring 20 maakt ons wel duidelijk dat de tijdelijke loslating van satan slechts dient om zijn definitieve ondergang ook nog eens extra te onderstrepen:

 

De satan veroordeeld

 

“En wanneer de duizend jaren voleindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten, en hij zal uitgaan om de volkeren aan de vier hoeken der aarde te verleiden, Gog en Magog, om hen tot de oorlog te verzamelen, en hun getal is als het zand der zee. En zij kwamen op over de breedte der aarde en omsingelden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad; en vuur daalde neder uit de hemel en verslond hen, en de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, waar ook het beest en de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheden” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 20:7-10). - Wij zien hier een nadere uitwerking van vers 3, waarin staat dat de satan na duizend jaren een korte tijd moet worden losgelaten om opnieuw de strijd met G’d en de heiligen aan te binden. Zo valt het messiaanse vrederijk dus niet samen met en gaat ook niet naadloos over in de eeuwige heerlijkheid, en toch is de loslating van satan niet méér dan een incident op de triomferende weg van Yeshua en Zijn bruid naar de eeuwige zaligheid van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde! Niets van Zijn eeuwige koningschap en Zijn heerschappij zal hierdoor worden aangetast, want in vers 7 staat: “Wanneer de duizend jaren voleindigd zijn”. Hier staat dus niet “voorbij zijn” maar “voleindigd zijn”. In het Grieks is dat telesJh telesthēi. Dit wijst op de volheid van een bepaalde bedeling in het heilsplan van de Eeuwige. Na duizend jaren zal het tijdperk van de heerschappij van Yeshua en de Gemeente, zowel Israël als de gelovigen uit de volken over deze aarde voleindigd zijn en dan komt er weer een andersoortige heerschappij, namelijk die over de nieuwe aarde. Maar zover is het nog niet, want eerst zal de satan voor een korte tijd worden losgelaten uit zijn gevangenis en verrassend genoeg slaagt hij erin om een massaal leger voor een oorlog tegen de Eeuwige en Zijn Gezalfde te mobiliseren. Hij verzamelt de volken aan de vier hoeken van de aarde, maar over welke volken wordt hier gesproken? De aarde wordt tijdens het duizendjarig vrederijk immers uitsluitend bevolkt door de verlosten des Heren die het eeuwige leven en verheerlijkte lichamen hebben ontvangen, te weten de schapen uit Mt. 25 en de gelovigen, die als koningen over hen regeren. Alle overige mensen werden ofwel rechtstreeks naar het eeuwige vuur gezonden (de bokken) ofwel bewaard tot de tweede opstanding voor het laatste oordeel (Opb. 20:5). Mensen van vlees en bloed kunnen hier dus niet mee bedoeld zijn, want die zijn er dan al lang niet meer. Ook kunnen het onmogelijk de volken zijn die door Yeshua de “Gezegenden Mijns Vaders” werden genoemd, dus de schapen, want het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk, dat zij zich zouden keren tegen de Rechter die hen heeft vrijgesproken! Bovendien zijn zij volwaardige burgers van G’ds Koninkrijk en daardoor heeft de satan geen enkele macht over hen. Volgens een andere uitleg gaat het hier om volken die uit de dood zijn verrezen en uit het dodenrijk op de aarde terug zijn geroepen door de satan evenals bij de wederkomst van Yeshua de gelovigen uit de dood werden opgewekt om deel te nemen aan de strijd! De satan staat er immers om bekend, dat hij een grote na-aper is! Zo wordt ook de tweede opstanding in direct verband gebracht met de eerste. Maar in tegenstelling tot de verrezen heiligen die bij hun opstanding een verheerlijkt lichaam zullen ontvangen, zouden de verrezen g’ddelozen het met een zombie-lichaam moeten doen en zal de duivel dus een zombie-leger mobiliseren. Op zich is deze mogelijkheid wel knap bedacht, maar toch klopt het niet! Nog afgezien van de vraag of satan überhaupt wel de macht bezit om doden op te wekken, staat in ]nxvy Yochanan [Johannes] 5:28 duidelijk geschreven, dat niet satan maar Yeshua de doden zal bevelen om op te staan! Bovendien wordt pas in vers 12, dus nadat de satan reeds in de poel des vuurs is geworpen, melding gemaakt van de opstanding ten oordeel! Maar wij zitten nog steeds met de vraag, wie dan wel de volken zijn, die hier Gog en Magog worden genoemd. Een ding is zeker: wij mogen de Gog- en Magog-volken uit Openbaring 20 beslist niet vereenzelvigen met de Gog- en Magog-volken uit de profetie van Ezechiël, ook al zijn er bepaalde overeenkomsten, want beiden rukken op tegen de heilige stad Jeruzalem om te strijden tegen het volk van G’d en dus tegen G’d zelf! Maar Gog en Magog uit Ezechiël worden reeds vóór het duizendjarig vrederijk vernietigd en kunnen dus niet identiek zijn aan de volken met dezelfde naamsaanduiding, waarover wij in Openbaring 20 lezen. Een opmerkelijk verschil tussen beiden vinden wij ook in de beschrijving van hun einde. In Ezechiël 39 wordt gesproken over een enorme slachting en Israël heeft zeven maanden nodig om de lijken van deze volken op te ruimen. In Openbaring 20:9 lezen wij echter, dat de volken die tegen de heiligen en de geliefde stad ten strijde trekken, door vuur uit de hemel worden verslonden en zonder één spoor na te laten worden weggevaagd. Zij zullen, alsof het spoken zijn, eenvoudig in het niets verdwijnen! Maar ook de aanduiding waar zij vandaan komen, geeft al een spookachtige sfeer: van de vier hoeken der aarde. Dat is in de Bijbel een begrip dat veelal met onheil, verderf en afgrondelijkheid in verband wordt gebracht. In het Joodse denken worden de vier hoeken der aarde ook beschouwd als poorten naar Sheol, de onderwereld, het dodenrijk, de afgrond. Als wij dus in vers 8 lezen: “En zij kwamen op over de breedte der aarde”, dan moeten wij dit “opkomen” in de letterlijke zin verstaan als “omhoog komen” vanuit de onderwereld naar de oppervlakte der aarde. De New King James vertaling is daarin iets duidelijker: “They went up on the breadth of the earth”, maar de Duitse Luther-vertaling van 1984 slaat de spijker echt op zijn kop: “Und sie stiegen herauf auf die Ebene der Erde” (“En zij klommen omhoog naar de oppervlakte van de aarde”). Het ligt dus het meest voor de hand, dat het hier niet gaat om volken van vlees en bloed, ook niet om zombies die uit de dood verrezen zijn, maar om een leger van demonen, engelen van satan, gevallen engelen! Zij trekken onder leiding van de vorst der duisternis op tegen de heilige stad Jeruzalem, waar Yeshua zich bevindt en de Zijnen die met Hem regeren. Maar nog voordat zij de aanval kunnen openen, worden zij door het vuur dat uit de hemel op hen neervalt, verteerd en zij worden verslonden, dat wil zeggen: er blijft letterlijk niets meer van hen over! Alleen van hun aanvoerder, de satan, wordt er gezegd dat hij in de poel van vuur en zwavel wordt geworpen, waar ook het beest en de valse profeet zijn, maar ook de bokken uit Mt. 25. De volgende verzen van Opb. 20 beschrijven het laatste oordeel, het oordeel over de doden! Het is een oordeel over alle mensen die ooit op deze aarde geleefd hebben, vanaf het begin van de Schepping, uitgezonderd de gelovigen, die deel hadden aan de eerste opstanding, de opstanding ten leven:

 

Het laatste oordeel

 

“En ik zag een grote witte troon en Hem, die daarop gezeten was, voor wiens aangezicht de aarde en de hemel vluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden. En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande voor de troon, en er werden boeken geopend. En nog een ander boek werd geopend, ,yyxh rpc Sefer haChayim [het boek des levens]; en de doden werden geoordeeld op grond van hetgeen in de boeken geschreven stond, naar hun werken. En de zee gaf de doden, die in haar waren, en de dood en het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken. En de dood en het dodenrijk werden in de poel des vuurs geworpen. Dat is de tweede dood: de poel des vuurs. En wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in ,yyxh rpc Sefer haChayim [het boek des levens]; werd hij geworpen in de poel des vuurs” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 20:11-15). - Het wegvluchten van de hemel en de aarde en de vermelding dat “…hun plaats niet meer werd gevonden”, is volgens sommige verklaarders een zinnebeeldige voorstelling van de majestieuze verschijning van de Eeuwige, zoals wij die o.a. ook in Ps. 18:8-16 aantreffen. Volgens anderen loopt dit vers vooruit op het plaatsmaken van de huidige hemel en aarde voor de nieuwe. Wat het ook zij, feit is in elk geval, dat de strekking van deze beeldspraak ons duidelijk wil maken, dat voor de Rechter op de witte troon niets verborgen kan blijven! Alle doden uit alle tijden, waar zij zich ook bevinden, diep op de bodem van de zee of in de gletsjer van een gebergte, zullen voor de witte troon verschijnen om te worden geoordeeld. Niemand is onbereikbaar voor G’ds macht en niemand kan dit oordeel ontlopen! In tegenstelling tot het oordeel over de levenden in Mt. 25 heerst hier een ijzige stilte! In dit gericht klinkt geen andere stem dan die van de Rechter en geen van de opgestane doden zegt iets, want er wordt hen niets gevraagd! Hier ligt de nadruk op ‘de doden’ terwijl bij de eerste opstanding de nadruk ligt op de ‘levenden’. Daarom wordt hier zelfs de term tweede opstanding gemeden. De opgestane doden van de gehele mensheid vanaf het begin der Schepping staat opgesteld voor de troon van Yeshua, want Hij is ook nu weer de Rechter omdat de Eeuwige het gehele oordeel aan de Zoon heeft gegeven (Joh. 5:22). De boeken die bij het begin van de rechtszitting worden geopend, bevatten een nauwkeurige rapportage van alles wat ieder mens gedurende zijn leven heeft gedaan en getuigen ervan, dat G’d werkelijk alles weet! Deze doden zullen derhalve door niets anders geoordeeld worden dan door hetgeen over hen in deze boeken geschreven staat. Zij zullen evenals de bokken en de schapen worden geoordeeld naar hun werken en niet naar hun geloof, omdat zij namelijk geen gelovigen zijn, want die hadden immers deel aan de eerste opstanding! Veel bijbeluitleggers gaan dan ook automatisch ervan uit dat het oordeel voor al deze mensen negatief zal zijn en dat zij allen, zonder uitzondering, in de poel des vuurs geworpen zullen worden omdat men immers uitsluitend door het geloof behouden kan worden. Maar hoe zit het met de mensen die nooit het evangelie hebben gehoord en daardoor nooit een eerlijke kans hebben gekregen om een keuze voor Yeshua te kunnen maken? Hebben zij gewoon pech gehad en gaan zij naar de verdoemenis enkel om het feit dat zij te lang geleden hebben geleefd, lang vóórdat de Eeuwige zich openbaarde aan Israël en lang voordat Yeshua op aarde kwam? Hebben zij gewoon pech gehad dat er bij hen nooit een zendeling kwam en dat zij helaas in het verkeerde land en in de verkeerde streek hebben geleefd? Hoe kunnen zij dan door het geloof behouden worden als ze Degene waarin zij dan zouden moeten geloven niet eens kennen? Neen, hier is er geen oordeel op grond van het geloof, maar op grond van de werken die in de boeken beschreven staan. Evenals bij het oordeel over de levenden spreekt Yeshua hier nadrukkelijk over de werken, hetzij goed of kwaad en baseert hierop Zijn oordeel! Daarom wordt er naast deze boeken gelukkig ook nog een ander boek geopend: ,yyxh rpc Sefer haChayim [het boek des levens], een hemels archief, waarin de namen staan geschreven van allen die het eeuwige leven zullen ontvangen en die het Nieuwe Jeruzalem binnen mogen gaan. Er zijn bijbeluitleggers die van mening zijn dat het boek des levens er enkel bijgehaald zou worden als bevestiging van het vonnis omdat er niemand van de aanwezigen in zou staan. Maar als dat inderdaad zo was, waarom schrijft Yochanan [Johannes] dan: “En wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in ,yyxh rpc Sefer haChayim [het boek des levens]; werd hij geworpen in de poel des vuurs”. Het woord ‘wanneer’ ofwel ‘indien’ geeft immers een voorwaardelijkheid aan waaruit wij kunnen afleiden dat er wel degelijk mensen zullen zijn onder de doden die voor de troon staan, wier namen wél in dat boek staan. Het “wanneer niet” geeft dus aan dat er ook een “wanneer wél” moet zijn, en zo zal ook vanuit de doden van de tweede opstanding een schare vrijgesprokenen aan de volken worden toegevoegd, die de nieuwe aarde mogen bewonen, waarover de heiligen als koningen zullen regeren! De overigen van de doden zullen echter in de poel des vuurs worden geworpen, dat is de tweede dood!

 

De nieuwe hemel en de nieuwe aarde

 

Tenslotte zal ook de laatste vijand worden verslagen, namelijk de dood zoals er staat geschreven in 1 Korinthiërs 15:26. Zo komt er eindelijk aan de macht van de dood en het dodenrijk een definitief einde wanneer ook zij in de poel des vuurs worden geworpen! Nadat ook het vonnis over de doden is voltrokken, zal al het oude verdwijnen, ook de hemel en de aarde: “En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer. En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van G’d, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van G’d is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en G’d zelf zal bij hen zijn, en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan. En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. En Hij sprak tot mij: Zij zijn geschied. Ik ben de alpha en de omega, het begin en het einde. Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens, om niet. Wie overwint, zal deze dingen beërven, en Ik zal hem een G'd zijn, en hij zal Mij een zoon zijn. Maar de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars, en alle leugenaars; hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 21:1-8).

 

Oproep tot waakzaamheid

 

Over al deze dingen heeft Keifa [Petrus] het in zijn tweede brief, waarin hij ons bemoedigt om vooral in deze moeilijke tijden waarin de gelovigen belachelijk worden gemaakt en zelfs dikwijls zullen worden tegengewerkt, vol te houden en waarin hij ons oproept om vooral nauwlettend de ontwikkelingen in de wereldgeschiedenis om ons heen te volgen, die zienderogen in een stroomversnelling naar het einde toe zullen leiden. Hij roept ons op om ons vertrouwen geheel op de Heer te richten en een heilig en onberispelijk leven te leiden om er klaar voor te zijn om van hier weggehaald te worden voordat het verschrikkelijke oordeel over deze zondige wereld zal komen: “Dit is reeds de tweede brief, geliefden, die ik u schrijf; in beide tracht ik uw zuiver besef door herinnering wakker te houden, om aan de woorden te denken, die door de heilige profeten tevoren gesproken zijn, en aan het gebod uwer apostelen van de Heer en Heiland. Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: Waar blijft de belofte van Zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zo, als het van het begin der schepping af geweest is. Want willens en wetens ontgaat hun, dat door het woord van G’d de hemelen er sedert lang geweest zijn en de aarde, die uit en door het water bestaat, waardoor de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door het water. Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen. Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Eeuwige is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Eeuwige talmt niet met de belofte, al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen. Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Op die dag zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden. Daar al deze dingen aldus vergaan, hoedanig behoort gij dan te zijn in heilige wandel en g’dsvrucht, vol verwachting u spoedende naar de komst van de dag G’ds, ter wille waarvan de hemelen brandende zullen vergaan en de elementen in vuur zullen wegsmelten. Wij verwachten echter naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont. Daarom, geliefden, beijvert u in deze verwachting, onbevlekt en onberispelijk te blijken voor Hem in vrede, en houdt de lankmoedigheid van onze Heer voor zaligheid, zoals ook onze geliefde broeder Sha’ul [Paulus] naar de hem gegeven wijsheid u geschreven heeft, evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen spreekt. Daarin is één en ander moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien, evenals trouwens de overige schriften. Geliefden, daar gij het nu van tevoren weet, weest op uw hoede, dat gij niet, door de dwaling der zedelozen medegesleept, afvalt van uw eigen standvastigheid; maar wast op in de genade en in de kennis van onze Heer en Heiland, Yeshua haMashiach. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als tot de dag der eeuwigheid” (2 Petrus 3:3-18).

 

Werner Stauder